Chronisch vermoeidheidssyndroom
Geschiedenis
In de jaren '80 komen in de literatuur steeds meer aanwijzingen dat er een nieuw ziektebeeld is, dat nu het "Chronisch Vermoeidheidssyndroom" of M.E. genoemd wordt. Onderzoekers spreken over myalgische encephalopathie, myalgische encephalomyelitis, Yuppieziekte, Chronisch Epstein Barr virussyndroom, IJslandziekte, Tapanuigriep, etc. Tot voor kort was de diagnose alleen anamnestisch te stellen. Hoofdcriterium hierbij is een sterke moeheid met een reductie van de normale activiteit van minstens 50 % die tenminste 6 maanden duurt. Daarnaast komen andere symptomen voor zoals matige koorts, regelmatige angina, lympheadenopathie, algemene spierzwakte en spierpijnen met een zeer matige recuperatie na inspanning, hoofdpijn, gewrichtspijnen zonder zwelling of roodheid, neurologische problemen zoals foto- en fonofobie, gezichtsvelduitval, geheugenstoornissen, prikkelbaarheid, psychische stoornissen zoals denk- en concentratiezwakte en depressie en slaapstoornissen zoals slapeloosheid en vermeerderde slaperigheid. Omdat de diagnose alleen anamnestisch te stellen was zijn door Holmes e.a. in 1988 een lijst van criteria opgesteld welke door Fukuda e.a. in 1994 werd aangepast
(zie tabel 1).
Tabel 1

Pas in de jaren '80 wordt de diagnose CVS als een zelfstandige ziekte gezien. In de jaren '90 wordt een steeds hogere prevalentie gezien. De cijfers variëren tussen de 0,01 tot 2,6% afhankelijk van de geografie en de toegepaste criteria.
Vrouwen zijn met 80% het meest getroffen en de gemiddelde leeftijd bij aanvang van de ziekte is 30 jaar. Uitgaande van het Centre for Disease Control, Atlanta hadden in het jaar 2000 tussen de 2 en 5 miljoen Amerikanen CVS.
Hoewel steeds meer onderzoekers twijfelden aan de immunologische componenten en meer ingingen op de psychische oorzaken van het syndroom berichtte ik in 1991 al in de "Medizinische Woche" te Baden-Baden over de gecombineerde immuuntherapie bij deze ziekte. In 1996 liet ik immunologische veranderingen zien in het bloedbeeld bij het veel vermoeidheidssyndroom patiënten, opnieuw tijdens het congres te Baden-Baden. In 1996 in het eerste Internationale Orthomoleculaire Congres te Keulen over het "Chronische Vermoeidheidssyndroom" meldde ik voor de eerste maal de hypothese dat hierbij integrinenblokkering een rol kan spelen. De daardoor verhoogd vrijkomende cytokines veroorzaken een groot aantal symptomen: spuit ik bijvoorbeeld een nanogram Interleukine 1 in bij een gezonde proefpersoon krijgt deze dezelfde symptomen als een patiënt met griepverschijnselen of CVS.
Deze hypothese werd nog eens naar voren gebracht op het "6th International Expertforum on Immuntherapy and Gentherapy in Florence 1998". In die tijd startte ik ook met onderzoek naar de relatie tussen het vermoeidheidssyndroom en het groeihormoon.
Bij veel patiënten zien we in de provocatietest een te geringe respons van het groeihormoon op de toediening van glucose of dopamine. Omdat deze test belastend is voor de patiënt ben ik overgestapt op de meting van Insulinelike Growth Factor-1 (IGF-1) en Insulinelike Growth Factor Binding Protein-3 (IGF-BP-3) om zo via de ratio een indruk te krijgen van de vrije fractie IGF-1.
Deze gedachtegang werd in de congressen de Baden Baden, Heidelberg en Utrecht in 2001 naar voren gebracht.
Ook in de literatuur worden de immunologische en endocrienologische componenten naar voren gehaald.
Persoonlijkheidsstoringen, de hypothalamus-hypofyse-bijnieras ( HP-as), de hormoonhuishouding, vasten en hongeren, immuunsuppressie of juist (over)activering van het immuunsysteem worden gezien als uitlokkend moment.
Theorell e.a. beschrijven dat bij CVS patiënten de HP-as niet meer in staat is te reageren op fysiologische prikkels en daarom lijden aan emotionele en slaapstoornissen. Volgens Elenkov e.a. zijn het zenuwstelsel en het immuunsysteem nauw verbonden in een wederzijdse regulering. Inderdaad worden de immuunreacties beïnvloed door psychische stress in een cascade van complexe interacties, waarin zowel de HP-as als het autonome zenuwstelsel mee-reageren. De cellen van het immuunsysteem bevatten zowel hormoon- als neurotransmitterreceptoren en een activering hiervan veroorzaakt immuunreacties. Ook de cytokines die vrijkomen ten gevolge van voedselovergevoeligheid remmen de HP-as en veroorzaken een daling van de serotonine spiegel.
Verschillende onderzoekers beschrijven de chronische immuunactivering, welke gemeten is aan de verhoging van actieve T-lymfocyten en plasmaspiegels van cytokinen zoals IL-4, Il-6 en TNF-α. De totaliteit van immuunreacties is echter zwak met een geringe activiteit van NK-cellen en immuunglobuline-deficiënties, vooral van de types IgG1 en IgG3. De immuunactivering is vooral van het Th 2-type, terwijl het Th-1 antwoord, gekenmerkt door lage IFN-? en IL-12 spiegels, zeer zwak is.
Neuro-endocriene mediatoren zoals glucocorticoïden, norepinephrine, epinephrine, histamine en adenosine hebben een interactie met het IL-10/IL-12regelsysteem en werken zo op de regeling in het immuunsysteem. Aan de ene kant worden de cellen met een Th-1 functie ( cellulaire activiteit) geremd, aan de andere kant worden de Th-2 cellen ( humoraal antwoord) door de glucocorticoïden bevorderd. De Il-12 vorming is geremd en de Il-10 is normaal of verhoogd. Hierdoor ontstaat een versterking van het Th-2 antwoord en een grotere gevoeligheid voor ziekteverwekkers, welke normaal door het Th-1 antwoord geëlimineerd worden. Dit kan virussen als cytomegalie, Epstein-Barr, humaan herpes virus en mycoplasma's reactiveren. Dezelfde problematiek treffen we ook aan bij auto-immuunziekten, allergische reacties en in de tumorgenese.
De neuropsychiatrische symptomen ontstaan niet alleen door de effecten van deze cytokinen, maar waarschijnlijk ook door een incoherente cytokineproductie van de gliacellen van het centrale zenuwstelsel. Er wordt een verlaging van dehydroepiandosteron beschreven, evenals een gereduceerde reactie op ACTH. Mogelijk is er niet alleen een beperkte vrijgave van cortisol en ACTH, doch ook een reductie van de actieve receptoren of de intracellulaire signaaltransducers. Daarnaast laat de PET-scan een verminderde regionale doorbloeding zien, zoals dat ook te zien is bij multiple sclerose en postpoliomyelitissyndroom. Bij deze ziektebeelden bestaat ook een chronische vermoeidheid.
Biochemische verklaring.
In mijn visie is de kern van de zaak de invloed op de koolhydraathuishouding van de cel. Deze kan beïnvloed worden vanuit hormonale problematiek, allergie en voedselovergevoeligheid, chemische belasting en infectie. Deze veelheid aan factoren verklaart de diversiteit aan mogelijke oorzaken; daarnaast zie ik vaker ook een combinatie van factoren.
Elke cel heeft aan de oppervlakte receptoren, waar bepaalde signaalstoffen op hechten (zie figuur 1). Deze receptoren zijn specifiek: vergelijk het met een slot waar alleen een bepaalde sleutel op past. Voor de koolhydraathuishouding spreken we over de insulinereceptor waar alleen insuline en IGF-1 op past. Een tekort in deze hormonen leidt tot een te geringe stimulatie van de cel, waardoor een vermindering van de opname van koolhydraat en vet plaatsvindt. Daardoor is er een te geringe verbranding en dus een vermindering van de groei en het metabolisme ( lees energieproductie).

Naast de tekorten in de signaalstoffen kan er ook een blokkade ontstaan op de receptor. Om in de beeldspraak te blijven: iemand heeft kauwgum in het sleutelgat gestopt en zo ontstaat hetzelfde effect, n.l. er vindt te weinig stimulering plaats. Een blokkade kan ontstaan door de reeds genoemde factoren, waarbij in de praktijk blijkt dat de overgevoeligheid voor voeding hier een hoofdrol speelt ( zie figuur 2).
Ook Borish et al beschrijven een relatie tussen atopie, allergie en CVS. Bij CVS worden dezelfde immunologische veranderingen waargenomen als bij allergie ( verhoging TNF-α en INF-γ en verlaging IL-10). De seizoensafhankelijke exacerbatie van allergie gaan gepaard met een verhoogde INF-γ-spiegel. Analoog is een INF-γ-shub geassocieerd met een verslechtering van de CVS-symptomen. Ook de voedselovergevoeligheid wordt door diverse onderzoekers beschreven.
Waarschijnlijk is deze, door de vorming van cytokinen en pro-inflammatoire stoffen, ook verantwoordelijk voor de oxidatieve stress en de vorming van de vrije radicalen. Zo wordt bij CVS patiënten een verhoging gezien van malondialdehyde, methaemoglobuline,
2,3 diphosphoglyceraat en een groter erytrocytenvolume t.o.v. de controlegroep. De methaemoglobulineconcentratie is evenredig met de fluctuatie aan symptomen als moeheid, spierklachten en slaapstoringen.
Figuur 2

Naast de insulineblokkade veroorzaakt de voedselovergevoeligheid het vrijkomen van pro-inflammatoire stoffen, zoals prostaglandine E2, tromboxaan A2 en de leukotrienen van het 4-type, welke een veelheid aan symptomen veroorzaken. Ook hier weer dus de reden van de diversiteit in het ziektebeeld CVS.
Virus of bacterie als oorzaak.
Veel is geschreven over het Epstein Barr-virus en andere mogelijke virale veroorzakers van het Chronisch Vermoeidheidsyndroom. Naar mijn idee zijn deze virussen een uitlokkend moment en geen oorzaak van het syndroom. Een gezonde immuunreactie leidt tot de apoptose (natuurlijke celdood) van de door een virus aangetaste cel. We weten echter dat virussen in staat zijn om de apoptose van de cel te remmen om daardoor een betere spreiding te krijgen. Ook is bekend dat de apoptose van de gezonde cel door het IGF-1 bevorderd wordt. Een tekort aan IGF-1 kan dus leiden tot een verminderde apoptose en dus een vermindering in de immuunrespons.
Ook kan een virusinfectie leiden tot een verhoging van TNF-α en zo via een insulinereceptorblokkade invloed uitoefenen op de koolhydraathuishouding. Een chronische infectie kan op deze manieren het herstel blokkeren.
Door de problemen in de immuunbalans kunnen ook commensalen ( normaal voorkomende bacteriën ) transformeren naar pathogenen. Zo wordt de infectie met verschillende mycoplasma-stammen beschreven.
Deze zich als parasieten gedragende bacteriën worden niet alleen in verband gebracht met CVS, maar ook met maligniteiten. Volgens Burke komen mycoplasma's voor bij 55% van de coloncarcinoompatiënten en bij 52% van de longcarcinoompatiënten. Nicolson legt naast het verband met CVS ook verband met auto-immuunaandoeningen. Zo is 50% van de patiënten met reumatoïde artritis besmet.
Ook moet men altijd denken aan de ziekte van Lyme ( borreliose of tekenbeetziekte). De helft van de patiënten weet niet dat men door een teek gebeten is; daarnaast is inmiddels bekend dat de ziekte ook overgedragen kan worden door andere bloedzuigers, zoals de mug, de daas en de vlo. Ook mens tot mens contact kan de ziekte verspreiden via traanvocht, sperma en natuurlijk de bloedtransfusie. Borrelia is in staat zeer langdurig klachten te geven die kunnen lijken op zeer veel ziektebeelden, zoals chronische vermoeidheid, gewrichtsklachten en neurologische verschijnselen.
De beschreven factoren onderschrijven het belang van de diagnostiek naar mogelijke ziekteverwekkers, zeker bij therapieresistente patiënten.
Diagnose
De verschillende oorzaken van CVS nopen tot een uitgebreide diagnostiek.
De tekorten van de signaalstoffen insuline en vrije IGF-1 ( via de IGF-BP3/IGF-1 ratio) kunnen in een bloedanalyse ontdekt worden. Vaak zien we een teveel aan insuline, duidend op de insulinereceptorblokkade. In deze analyse wordt indien nodig ook gekeken naar het algemene bloedbeeld, de lever- en nierfunctie, de schildklier etc. Uiteraard dienen de normale oorzaken van het klachtenpatroon, zoals anemie, hypothyreoidie, etc. uitgesloten te worden.
De voedselovergevoeligheid wordt eveneens in het bloed bepaald via de ImuPro300 screen. In de praktijk heb ik voor deze methode gekozen omdat de meting breder en uitgebreider is dan de andere aangeboden testsystemen.
Naast het zeer moeilijk uitvoerbare provocatie/ eliminatiedieet waarbij voedingsstoffen vanuit 4 dagen watervasten langzaam weer ingevoerd worden is er ook de mogelijkheid van een voedselscreen ( ImuPro 300). Met deze test worden 270 voedingsmiddelen gemeten en gewaardeerd in een sterkte 1= zwak t/m 4 = zeer sterk. Deze analyse in het bloed wordt helaas nog niet door alle ziektekosten verzekeraars vergoed. Er bestaat een screening waarin gemeten wordt of er inderdaad sprake is van voedselovergevoeligheid. Als deze positief is, kan men de vervolgens de grote screening toepassen van 270 testen. In de praktijk komen voedselovergevoeligheden zo vaak voor dat het laten verrichten van een screening een omweg is met ook een kostenverhoging. Indien u deze analyse wilt laten verrichten, kunt u klikken op 'aanvraag ImuPro test'. U krijgt dan de verzendmaterialen thuisgestuurd. Een bloedafname kunt u laten verrichten bij uw huisarts of in een klinisch chemisch laboratorium. Na enige tijd ontvangt u dan een volledig rapport met aanbevelingen en recepten. Een voorbeeld hiervan kunt u zien als u klikt op 'voorbeeld rapport ImuPro'.
De ImuPro 300 test is een eenmalige analyse. Dat houdt dus in dat indien er een sterke reactie op een bepaald voedingsmiddel is aangetoond, deze reactie uw levenlang aanwezig is, hoewel de heftigheid van de reactie kan afnemen. Het is niet nodig om vooraf veel verschillende voedingsmiddelen te eten daar de gemeten immuunglobulines altijd zeer langdurig aanwezig blijven. Naast de overgevoeligheid zien wij ook frequent intoleranties voor koemelk en gluten. De verschillen in deze reacties kunt U nalezen in Ongezond ondanks gezonde voeding. Ook vindt U daar een vergelijking tussen de verschillende testsystemen. Om een voedselanalyse kompleet te maken voer ik in de praktijk ook een lactosetest uit in het bloed en een ontlastingtest op gluten. Zo krijgt men een totaalbeeld.
Indien nodig worden de infecties van mycoplasma, borrelia etc. onderzocht in het laboratorium.
Zware metalenbelasting wordt eerst bekeken aan de hand van de mogelijke blootstelling en eventueel in het bloed of urine gecontroleerd.
Schildklierhormonen worden naast de bloedanalyse ook in de 24 uurs urine bepaald omdat de bloedanalyse niet betrouwbaar blijkt te zijn.
Behandeling
De behandeling vindt plaats op basis van de uitkomsten in het onderzoek. Uiteraard wordt een individueel dieet samengesteld met eliminatie van de voedingsmiddelen welke bij de ImuPro300 test scoren. De effecten van enkel het eliminatiedieet, gecombineerd met voldoende afwisseling zijn groot. In een Luxemburgs onderzoek reageert 24% van de CVS-patiënten met het totaal verdwijnen van de klachten en bij 56,8% blijkt er een verbetering te zijn. Alleen dit al is de reden dat in de praktijk de voedselscreen bij alle CVS-patiënten wordt gedaan.
De tekorten van vrije IGF-1 kunnen behandeld worden met verschillende preparaten. In figuur 3 ziet U een schema waarin duidelijk wordt hoe deze hormoonas beïnvloed kan worden.
Figuur 3

Het beste preparaat dat vrij verkrijgbaar is, is Artenox (zie www.artenox.nl)
Indien de patiënt weer wat meer energie krijgt, dient ook zorg gedragen te worden voor een langzame conditieopbouw. Deze kan ondersteund worden door een vibratietraining, waardoor ook de hormoonas verder gestimuleerd wordt. Naast de lichamelijke behandeling dient er ook verder een psychische begeleiding plaats te vinden, aangezien veel patiënten langdurig zijn geïnvalidiseerd.
Als er sprake is van een infectie zal deze bestreden worden met een aangepast programma. Zo is er een phytotherapeutische kuur ontwikkeld voor de mycoplasma-infectie. Deze kuur blijkt ook voor andere infecties, zowel van virale, bacteriële als parasitaire oorsprong zeer effectief. Deze kuur dient bij een mycoplasma-infectie zeker een jaar gegeven te worden. Ook voor de borrelia is een apart protocol.
Bij een zware metalen en ook andere chemische belasting werk ik met chlorofyl preparaten. Chlorofyl is de natuurlijke groene kleurstof uit de natuur en is een uitstekende binder van allerhande toxische stoffen.
Conclusie
Bij een patiënt met het CVS dient een uitgebreid diagnostisch programma aan de basis te staan van het therapeutisch programma. De aanwezigheid van voedselovergevoeligheid en de tekorten aan IGF-1 en insuline zijn de eerste stappen die onderzocht worden. Hierop wordt een totaal therapeutisch plan gebaseerd met een individueel dieet en orthomoleculaire preparaten. Een groot aantal patiënten kan op deze wijze goed geholpen worden. Voor dit beleid is een ruime basis terug te vinden in de literatuur.